Inleiding
Het thema "De jacht op de dopers" als cursusonderwerp in de BESJ-cursus voor kampmedewerkers 2006/07 past – onbewust – in een hele reeks officiële en particuliere projecten rond het "Dopersjaar 2007 – ‘De waarheid moet worden achterhaald’. Ter gelegenheid van dit Doperjaar worden er toneelstukken opgevoerd, boeken geschreven, reizen georganiseerd en nog veel meer.
De cursus voor kampmedewerkers leidt in de eerste plaats BESJ-jeugdgroepsleiders op tot „Jugend+Sport“-leiders in de sporttak kampsport/trekking. In de tweede plaats wordt een thema geïntroduceerd bij de groep leiders, zodat zij op hun beurt passende kampen kunnen organiseren en uitvoeren. Om de deelnemers en leiders van deze cursussen (en later eventueel ook geïnteresseerden) in het thema te in te lichten, is dit dossier opgesteld. Het pretendeert niet volledig of foutloos te zijn. Het is veeleer bedoeld om een overzicht te bieden, zodat de kamporganisatoren over achtergrondkennis beschikken.
Dit dossier beschrijft vooral de gebeurtenissen rond de Bernse dopers. Waar nodig is informatie uit de naaste en verdere omgeving verwerkt. Voor een diepgaandere inleiding in het thema bestond er een uitgebreidere versie bij de BESJ.
Wij willen hierbij Dr. Hanspeter Jecker van de Bijbelschool Bienenberg bedanken voor de waardevolle informatie en het historisch overzicht, evenals voor het proeflezen van de ruwe versie.
Wij wensen jou als lezer – of je nu deelnemer of begeleider bent in een cursus voor kampmedewerkers of gewoon geïnteresseerd bent – veel voldoening bij het verkennen van het doperse historische erfgoed van Zwitserland, en je kampdeelnemers veel plezier tijdens de kampen over dit boeiende thema.
Lori Keller en Sara Kündig
Geschiedenis
We beginnen bij de Reformatie
De Reformatie is een beweging uit de 16e eeuw, die leidde tot een afscheiding van de rooms-katholieke kerk en tot het ontstaan van de gereformeerde, lutherse en anglicaanse kerken, evenals enkele vrije kerken. De gemeenschappelijke grondslagen liggen in het afkeren van katholieke leerstellingen en de terugkeer naar de Bijbel en diens leer. Een afscheiding van de rooms-katholieke kerk was aanvankelijk niet de bedoeling van de reformatoren. Het oorspronkelijke idee was dat de christelijke leer binnen de katholieke kerk zou worden hersteld. De Reformatie ontstond niet op één plek door toedoen van één persoon – er waren verschillende centra en verschillende reformatoren die vanuit verschillende uitgangspunten kwamen en in verschillende politieke omstandigheden werkten. De aanleiding voor de Reformatie kan niet in één enkel punt worden vastgelegd; het waren veeleer verschillende zaken die zich opstapelden en op een gegeven moment op het hoogtepunt tot een explosie leidden.
Zo waren er bijvoorbeeld diverse hervormingsbesluiten die op de agenda stonden, werden uitgewerkt, maar vervolgens niet werden uitgevoerd zoals het hoorde. Bestaande besluiten werden door de paus afgezwakt. Diverse belastingen, heffingen en bijdragen vloeiden naar de pauselijke schatkist. Veel vorsten vonden deze te hoog. Daar kwam nog bij dat de aflaathandel – vergeving van zonden is te koop – steeds meer onder vuur kwam te liggen. Een heel beslissend keerpunt kwam met de vertaling van de Bijbel in het Duits door Maarten Luther. Dankzij het groeiende boekdrukkersvak werd het mogelijk om de Bijbel en vooral diverse „ketterse geschriften“ van de reformatoren in grote oplagen uit te geven. Voor het eerst werden de mensen aangemoedigd om zelfstandig de Bijbel te lezen – wat in de katholieke kerk niet was toegestaan – waardoor er veel onbeantwoorde vragen ontstonden. Ook de geschriften van de reformatoren werden met belangstelling gelezen. De mensen begonnen de katholieke kerk en haar leerstellingen in twijfel te trekken en zo ontdekte men veel zaken die niet met de Bijbel konden worden onderbouwd.
Kritiek op de bestaande traditie
Er zijn twee benaderingen in de kritiek op de traditie van de Oude Kerk, die door verschillende kanten werden ondersteund:
- Luther onderwierp de traditie van de kerk aan een strenge toetsing. De maatstaf was de tekst van de Bijbel. Tradities die volgens hem in strijd waren met de Schrift, moesten worden afgeschaft. Hij pleitte er echter voor om tradities die niet direct op de Bijbel waren gebaseerd, maar wel nuttig waren voor het leven van de gelovigen, te behouden.
- Zwingli en Calvijn verwierpen alle tradities die niet in de Bijbel zijn gegrondvest. Daarom hebben de gereformeerden sobere kerkgebouwen, die hooguit met bijbelteksten zijn versierd. Zwingli verwierp zelfs gedeeltelijk instrumentale muziek in de kerk. Het avondmaal is een herdenkingsdienst.
Politieke ontwikkelingen
Zoals hierboven al vermeld, waren het niet alleen de politieke of sociale misstanden binnen de kerk die tot het uitbreken van de Reformatie leidden. Deze aspecten vormden veeleer een voedingsbodem voor de nieuwe theologische ideeën van de reformatoren. Aan de theologische strijd om de juiste uitleg van de Bijbel werden al snel ook politieke aspecten toegevoegd. De nieuwe ideeën gaven de rijksvorsten een theologische rechtvaardiging om de door Rome opgelegde belastingdruk te kunnen verminderen. Het ontstaan van de protestantse nationale kerken versterkte eveneens de autonomie van de vorstendommen. In de eerste helft van de 16e eeuw braken er verschillende oorlogen uit tussen katholieken en protestanten in Duitsland en Zwitserland, die in Duitsland in 1555 eindigden met de Religievrede van Augsburg en in Zwitserland in 1531 met de tweede Landvrede van Kappel. In beide gevallen kwam het neer op „cuius regio – eius religio“ (wiens land, diens geloof). Dit betekende voor Duitsland dat de betreffende vorst de geloofsrichting van zijn land bepaalde, terwijl in Zwitserland de betreffende republikeinse regering in het kanton hierover besliste.
De radicale benaderingen
Voor reformatoren als Thomas Müntzer, Andreas Bodenstein von Karlstadt, Menno Simon of Jakob Hutter stond de tijd in het teken van apocalyptische voortekenen. Sommigen van hen interpreteerden de gebeurtenissen op spirituele wijze en zagen het als hun taak om de weg te effenen voor het Koninkrijk van God, dat in hun ogen werkelijk aanbrak, als een eschatologische heerschappij van gerechtigheid. Er moet echter worden opgemerkt dat de „radicalen“ zeer uiteenlopende benaderingen volgden.
Ze streefden enthousiast naar het tot stand brengen van eschatologische structuren. De gemeenten moesten bestaan uit mensen die in oprecht geloof waren gedoopt (herdoop/volwassenendoop). Ze drongen door tot in de politieke structuren en brachten de sociale en politieke verhoudingen deels op revolutionaire wijze teniet – in de vorm van de beroemde boerenoorlogen.
Dit stuitte niet alleen bij de sociale bovenlaag en de katholieke kerk op hevig verzet. Ook de protestanten, met Luther aan het hoofd, riepen op tot een gewelddadige beëindiging van de onrust. Met gewapend geweld maakten de vorstelijke troepen een einde aan de opstanden – de dopers vonden pas als emigranten in Amerika religieuze vrijheid. Rond het midden van de 16e eeuw kwam een tweede generatie hervormers aan de beurt. In Genève was dat Johannes Calvijn en in Zürich Heinrich Bullinger, de opvolger van Zwingli. Hun bijdrage bestond erin de Reformatie theologisch te verankeren – Calvijn met zijn „Institutie“, Bullinger met de „Tweede Helvetische Confessie“. Beiden oefenden een Europese invloed uit op het protestantisme.
De reactie van de katholieke kerk
De katholieke kerk probeerde eerst te overtuigen, maar schakelde daarna over op politieke en kerkelijke druk. Luther moest vluchten en overleefde alleen dankzij bescherming door vorsten. Zwingli daarentegen slaagde erin de Raad van Zürich te overtuigen van de juistheid van zijn leer. De nieuwe ideeën van de Reformatie verspreidden zich als een lopend vuurtje – de bevolking stroomde massaal naar het nieuwe geloof, rijkssteden en vorsten kozen de kant van de Reformatie. De toenmalige keizer Karel V bleef katholiek, maar kon zich niet concentreren op het onderdrukken van de Reformatie, omdat de buitenlandse politiek (Turkije en Frankrijk) hem sterk in beslag nam. In de daaropvolgende periode werd door de stichting van de jezuïetenorde de Reformatie binnen de katholieke kerk in gang gezet. De Reformatie was een van de grote keerpunten in de geschiedenis van het Westen. Voor de geschiedenis van het christendom betekende de Reformatie dat de bestaande almacht van de katholieke kerk kon worden beteugeld.
Dopers rond Zürich, rond Schaffhausen
De dopers rond Zürich
Ulrich Zwingli werd in 1506 predikant in Glarus en nam tussen 1512 en 1515 actief deel aan de veldtochten van de Glarners ten dienste van de paus in Lombardije. Terwijl hij zich aanvankelijk vooral bezighield met humanistische geschriften, verdiepte hij zich later zeer intensief in het zojuist verschenen Griekse Nieuwe Testament van Erasmus van Rotterdam. Daarbij kwam hij tot het inzicht dat de leer van de kerk op sommige punten niet overeenkomt met het Nieuwe Testament. In 1516 begon hij te prediken tegen bedevaarten, aflatenverkopers en andere kerkelijke misstanden. Hij riep de bisschoppen op om de kerk te hervormen volgens de richtlijnen van het goddelijke Woord. In 1519 kwam Zwingli naar Zürich om daar voortdurend de evangeliën uit te leggen. Hij wist de Raad van Zürich ertoe te bewegen alle predikanten op te roepen om in overeenstemming met het evangelie te prediken. Aan het begin van zijn tijd in Zürich waren de leiders van de dopers zijn medestanders, maar na verschillende disputen werd hij een verbitterde tegenstander van hen. Voor de Zürichse dopers verliep de Reformatie onder Zwingli veel te traag en te weinig consequent. Velen hadden lang op de Reformatie gewacht. En nu, nu deze wettelijk was doorgevoerd, wilde men de kerk snel en radicaal hervormen naar het voorbeeld van de vroege christelijke kerk. Maar Zwingli aarzelde. De Reformatie kwam tot stand door een besluit van de Raad. Zwingli kon dus niet zomaar de mis en de hele rooms-katholieke religie afschaffen. Het moest zijn tijd krijgen en rijpen, ook al zou het nog jaren duren voordat de Reformatie voltooid was. Bijkomende hindernissen waren dat niet iedereen in Zürich achter de Reformatie stond, maar dat er ook velen waren die aan de rooms-katholieke tradities wilden vasthouden. De andere kant wilde helemaal niet volgens het bijbelse voorbeeld te werk gaan, maar gewoon radicaal breken met alles wat een rooms-katholieke invloed had. Zwingli werd dus geconfronteerd met uiteenlopende standpunten en moest wijs te werk gaan om de Reformatie op vruchtbare grond te brengen. Zwingli en de dopers waren het eens over de grondbeginselen; er had dus geen breuk hoeven plaatsvinden. Het lange wachten op verandering leidde bij de dopers echter tot een groeiende onverdraagzaamheid. Na verloop van tijd werd dit vuur van onverdraagzaamheid steeds meer aangewakkerd, totdat de bom barstte.
De dopers rond Schaffhausen
Het beroemdste document van het Schaffhauser dopersgenootschap is de Schleitheimer Belijdenis, die ter gelegenheid van de doperssynode van 24 februari 1527 door Michael Sattler werd opgesteld. Het is geen samenvatting van de belangrijkste geloofsleerstellingen van de dopers, maar heeft tot doel bepaalde onder de dopers omstreden punten te verduidelijken en vanuit de Bijbel te belichten. De zeven behandelde thema’s zijn: de doop, de kerkelijke tucht, het avondmaal, de afzondering van de wereld, het herderambt, het gezag en de eed. Hieronder volgen de belangrijkste artikelen van de Schleitheimer Belijdenis. Ze zijn sterk ingekort, maar geven niettemin een inzicht in de gedachtegang van de dopers.
- Over de doop
De doop moet worden toegediend aan allen die onderwezen zijn in berouw en levensverandering en oprecht geloven dat hun zonden door Christus zijn weggenomen. Hiermee wordt elke kinderdop uitgesloten, de grootste en eerste gruwel van de paus.
- Over de herders in de gemeente
De herder van de gemeente van God moet, geheel volgens de voorschriften van Paulus, iemand zijn die een goede reputatie geniet bij degenen die buiten het geloof staan. Zijn ambt bestaat uit het voorlezen, vermanen, onderwijzen, aansporen, terechtwijzen, uitsluiten, voorbede doen, het brood breken en in alle zaken van het Lichaam van Christus zorg dragen.
- Over het gezag
Het gezag is een door God ingestelde orde buiten de volmaaktheid van Christus om. Het straft en doodt de slechten en beschermt en behoedt de goeden.
Ten eerste: Christenen mogen het zwaard niet tegen andere mensen gebruiken.
Ten tweede: Christenen mogen geen oordeel vellen over anderen.
Ten derde: Christenen mogen geen deel uitmaken van de overheid.
Ten slotte: Ons hoofd is Christus en wij, als zijn leden, moeten handelen volgens de wil van Christus.
- Over de eed
De eed is een bevestiging tussen degenen die ruzie maken of beloften doen, en de wet schrijft voor dat deze uitsluitend in de naam van God oprecht en niet vals moet worden afgelegd. Christus, die de vervulling van de wet onderwijst, verbiedt de zijnen alle zweren, zowel waar als vals, zowel bij de hemel als bij de aarde.
Dopers rond Bern
"Behoor jij nu ook nog eens tot de wederdopers? Sinds wanneer hebben we weer zo'n plaag in functie? Weet je niet dat er hier geen wederdopers worden getolereerd? Ik geloof dat Brandis momenteel schoon is; behalve enkele koppige vrouwen hoort er niemand meer bij dat gespuis, alleen achter Trachselwald en Langnau houden zich nog een paar schuil!”
Deze woorden van een Bernse landvoogd tegen een jonge man die onlangs tot de dopers was overgestapt, weerspiegelen de algemene opvatting over de dopers in Zwitserland.
Het is niet eenvoudig om inzicht te krijgen in de geschiedenis van de dopers rond Bern. Voor dit deel van Zwitserland is er geen optimale informatiebasis. Hoewel men hier en daar gegevens vindt, zijn deze zeer fragmentarisch en meestal erg beknopt. Bijna alle informatie is afkomstig van dopers die onder wrede martelingen bekentenissen hebben afgelegd. Daardoor zijn de verklaringen van de dopers erg onnauwkeurig en stuit men soms op namen die op een gegeven moment uit het niets opduiken en weer verdwijnen. Ook rijst de vraag welke mensen men als dopers kan bestempelen. Waar schikt men mannen als Thomas Müntzer in – als dopers of als lutheranen? Velen moet men daarom als aanhangers van de dopers beschouwen, maar niet als echte dopers.
De Bernse dopersgemeenschap was een nuchtere gemeenschap waarvan de aanhangers niet als wispelturige eendagsvliegen kunnen worden bestempeld. Ze waren bereid alle mogelijke ontberingen op zich te nemen. Ze schrokken niet terug voor ondervraging en marteling. En ze deinsden er niet voor terug om vele kilometers te voet af te leggen om bij hun geheime bijeenkomsten te komen. Ze zetten zich krachtig in voor de bijbelkennis die zij hadden verworven.
Gearresteerd – ondervraagd – verdronken
Bij de Bernse Disputatie van 1528, waarbij het besluit tot de invoering van de Reformatie werd genomen, waren ook acht dopers aanwezig. Ze werden niet toegelaten, maar gearresteerd. Pas na afloop vond er een gesprek plaats, waarbij Zwingli zelf probeerde de dopers van hun dwaling te overtuigen. Zonder succes. Men verbood hen de stad en het platteland te betreden en dreigde hen met de dood mochten ze terugkeren. Drie van hen keerden echter terug. Ze werden gearresteerd en ondervraagd. Half juli 1529 werden ze in de Aare verdronken. Op 13 maart 1535 besloot het gezag dat men „voortaan de Mansbilder met het zwaard, maar de Wybsbilder met water zonder genade ter dood zou laten veroordelen”. Het bovengenoemde doodvonnis van de drie dopers is niet het enige. Hans Haslibacher uit Haslibach bij Sumiswald is eveneens een van de talrijke in documenten vermeld dopers die tussen 1528 en 1571 in Bern zijn geëxecuteerd.
Jacht op mensen
In het mandaat van 1583 staat te lezen: „Het heeft geen zin om deze opstandige sekte uit te roeien, zij neemt met de dag toe. De doperse leiders, predikers, leraren en aanstichters moeten zonder enige genade met het zwaard worden veroordeeld. De ambtenaren moeten ook mensen inhuren en betalen om dag en nacht de leiders en voormannen op te sporen. Boerderijen van dopers waar geen kinderen zijn, moeten indien mogelijk worden verkocht.”
Er braken zware tijden aan voor de Bernse dopers. Vanuit de districtsbesturen en vanuit Bern gingen Weibel en andere (min of meer) gemachtigden op jacht naar „menselijk wild“. Er werden regelrechte klopjachten georganiseerd. Deze waren behoorlijk lucratief, want in de „ambtsboeken“ staan steeds weer bedragen vermeld die werden uitbetaald wanneer de klopjacht succesvol was. Er werd wel eens 100 gulden (1 gulden = 2 pond) uitgeloofd voor een doperse leraar, om hem te kunnen oppakken. In een kroniek staat het volgende vermeld: „1644 – Grote doperse klopjacht. De regering zoekt naar Ueli Zaugg, Ueli Neuhaus en Christen Stauffer op de Äbnit in Eggiwil. Veel dopers in de gevangenis, 48 van hen zijn het land uitgezet.”
Marteling
Door middel van marteling probeerde men zowel bij mannen als bij vrouwen bekentenissen af te dwingen, de namen van hun geloofsgenoten, hun „leer“ of de vergaderplaatsen te achterhalen, of hen van hun „dwalende leer“ af te brengen. In een document staat onder andere: „…is hij zonder last aan het touw omhooggetrokken…“ De tweede keer werd dezelfde persoon met een eraan vastgebonden steen omhooggetrokken. Van een andere man wordt vermeld dat hij eveneens de eerste keer zonder last, vervolgens met een kleine steen en de derde keer zelfs met een steen van 75 pond aan de touw werd opgetrokken. Bij de vrouwen werd bijvoorbeeld de duimschroef toegepast. In een verordening uit 1670 staat: „… zulke ongehoorzame en weerbarstige koppen openbaar met roeden geselen en vervolgens naar de grens brengen.” Mochten zij het land opnieuw betreden, dan zou men hen „met dezelfde behandeling“ straffen en bovendien „met de brandstempel merken“.
Boetes
In een open brief die werd voorgelezen vanaf de preekstoelen van de ambten Signau, Trachselwald en Brandis werd voorgelezen, staat bijvoorbeeld dat men de dopers met 10 pond zou beboeten en „indien zij niet afzien van hun geloof, hen in lijf en goederen zou straffen, en ook de huizen en schuren van degenen die hen onderdak verlenen tot op de grond af zou slopen“. Een zoon moest 10 pond boete betalen omdat hij zijn doperse vader zonder toestemming „had onderdak en hulp geboden”. Het volgende is eveneens vastgelegd: „1599. Van Hanns Gerber, de oude in Goldt, de kerkvoogd van Langnow, is vanwege zijn ongehoorzame, wederdopersvrouw 1800 pond in beslag genomen.”
Bescherming van de dopers door burgers
De wereldlijke autoriteiten gaven de geestelijke autoriteiten in 1585 de officiële opdracht: "Opdat alle predikanten die tot het plaatselijke kapittel behoren, bijeenkomen en onderling met diverse middelen beraadslagen hoe de doperse leerstellingen en bijeenkomsten kunnen worden afgeschaft, en vervolgens hun mening aan de heren rapporteren." De geestelijke heren hebben onder andere het volgende gerapporteerd: "… De verleiders en valse leraren moeten met alle ijver en ernst uit de landen van Uwe Genade worden verdreven…" Aan alle onderdanen moest streng worden verboden om een dopeling „onderdak te verlenen of te helpen“. Er mocht geen handel worden gedreven met de dopers, noch door aankoop noch door verkoop. Zij moeten worden aangegeven, zodat zij door bekwame predikanten worden onderwezen. Indien zij zich niet laten onderwijzen, moeten zij „met meel en brood worden onderhouden totdat hun koppigheid is gebroken, of zij naar E. Gn. Erkanntnus uit het land worden gestuurd.“
Landverwijzing
Op basis van dit advies publiceerde de regering een nieuw mandaat, waarin zij onder andere het volgende verkondigde: *Aangezien de (doperen) echter geen waarschuwing noch onderricht aanvaarden, koppig en ongehoorzaam blijven en ook niet willen inzien, moeten zij onmiddellijk naar de grenzen van de landsmark worden gevoerd en uit ons land worden verbannen, opdat wij vastbesloten zijn, wanneer zij opnieuw ons land binnenkomen en worden opgepakt, maar niet van hun weg afwijken, maar net als voorheen koppig in hun dwaling blijven, hen als ongehoorzame, afvallige, opstandige mensen met lijf en leven te straffen.” Vaak werden de dopers volkomen berooid over de grens verdreven. Velen konden het niet volhouden en keerden terug. Honderden moesten in de loop van de tijd het land verlaten, mannen, vrouwen en kinderen. Gezinnen werden uit elkaar gerukt; een deel moest vertrekken, het andere bleef achter. In 1672 vond er een grote, gewelddadige verdrijving plaats. Ongeveer 700 mensen trokken naar de Palts. Anderen werden bij de Schifflände in Bern op boten geladen om van daaruit het land uit te worden gevoerd.
Op naar de galeien
Het hoogtepunt van de vervolging in de 17e eeuw was het raadsbesluit om de dopers naar de galeien te „sturen“. Na de dopersrellen in Eggiwil in 1671 werd aan alle ambtenaren en Venner een circulaire gestuurd, waarin onder andere stond: „Wij sturen een aantal van die ongehoorzame onderdanen, de zogenaamde dopers, in ketenen naar Italië, naar de Venetiaanse galeien om daar te roeien, en zijn vastbesloten om op dezelfde wijze te handelen tegen allen die zich op een dergelijke ongehoorzame wijze gedragen…” Dit waren geen loze woorden. Wat op papier was vastgelegd, werd ook daadwerkelijk uitgevoerd. Twaalf dopers werden veroordeeld tot twee jaar dienst op galeien en op 16 maart werden zes van hen, aan elkaar geketend, in Thun aan boord van een schip gebracht en van daaruit via Interlaken naar een ander schip gevoerd. De reis ging vervolgens verder naar Bergamo en Venetië. Een besluit uit 1670 bepaalde dat de bezittingen van de verbannen personen moesten worden verkocht. De regering streefde ernaar de dopers zoveel mogelijk berooid te verdrijven en hun vermogen in het land te houden. Talrijke boerderijen werden vervolgens in beslag genomen.
Naastenliefde
Niet iedereen nam deel aan de vervolging van de dopers. Steeds weer waren er mensen die bereid waren de vervolgden te helpen, ook al liepen ze het risico daarvoor gestraft te worden. Zo waren de dopersjagers bijvoorbeeld impopulair bij het volk. Waar ze ook verschenen, maakte men het hen moeilijk. De plattelandsbevolking koos vaak de kant van de in nood geraakte dopers. Maatregelen van de regeringen konden soms worden verhinderd. Ook van hun geloofsgenoten in het buitenland (de Palts, Nederland, de Elzas) kregen de dopers hulp. Ondanks alle inspanningen van de autoriteiten verdwenen de dopers niet.
Einde van de vervolging van de dopers in Bern
In tegenstelling tot de Zürichse dopers (tot ca. 1620) kon het doperdom zich in de moeilijker toegankelijke en daardoor ook moeilijker te controleren valleien van het Emmental handhaven. In 1711 vond een massale uittocht plaats van ongeveer 350 Bernse en Neuchâtelse dopers op vier schepen stroomafwaarts over de Aare, meestal richting Nederland. Niet weinigen reisden verder naar Amerika, waar zij zich als „Amish“ vestigden. De achtergebleven dopers kregen rond 1718 door een nieuw dopersmandaat opnieuw te maken met een opflakkering van de vervolging van de dopers. In 1743 werd de Bernse doperskamer opgeheven en in 1798 werd met de eerste Helvetische Grondwet de vrijheid van godsdienst gegarandeerd. Vanaf 1810 werden de dopers weliswaar officieel getolereerd, zolang ze geen missionaire activiteiten ontplooiden. Ze moesten zich echter volgens de „dopersverordening“ kleden en werden deels zelfs gedwongen gedoopt. Pas in 1820 werden geboorten, huwelijken en gemeenschappen erkend. Daarmee werd de vervolging van de dopers eindelijk tot het verleden (een triest hoofdstuk) van de geschiedenis gerekend.
Amische
Amish, een afsplitsing van de mennonieten
De Amish (Engels: Amish) is een religieuze gemeenschap die haar wortels heeft in de dopersbeweging van de 16e eeuw. In 1693/94 ontstond er binnen de kring van de Oude Doopers (Mennonieten) een door Jacob Amann uitgelokte afsplitsing als gevolg van geschillen over kwesties betreffende de gemeentelijke tucht. Jacob Amann, ook wel „patriarch“ genoemd, die zijn wortels had in het Simmental (BE), stichtte de eerste Amish-gemeenschap in de Elzas, in Ste-Marie-aux-Mines.
De „broeders“ van de Elzas werden opgeroepen tot strenge discipline bij de uitoefening van hun geloof. Door deze strengheid raakten Amann en zijn aanhangers al snel in conflict met de oude wederdopers uit de Elzas, en later ook in Zwitserland en de Palts. In 1712 moest – op bevel van Lodewijk XIV – de gehele doperse gemeenschap verhuizen. Zo trokken ze naar de nabije en verdere omgeving, deels ook weer naar Zwitserland (Neuchâtel en het Vorstendom Bazel).
Aan het begin van de 18e eeuw nam de religieuze en economische druk op de Amischen toe, waardoor zij in de jaren 1707-1754 naar de Verenigde Staten emigreerden. De vestiging concentreerde zich in de eerste jaren op de staat Pennsylvania. Tijdens een tweede emigratiegolf rond 1815 vestigden zich ongeveer 3000 Zwitserse Amischen in de staten Ohio, Indiana, Illinois en Ontario (Canada). In de jaren daarna volgden veel Amischen het voorbeeld van de eerste emigranten, waardoor we vandaag de dag in het noorden en oosten van de VS, evenals in het zuiden van Canada, veel Amische gemeenschappen aantreffen.
De Amish zijn een geloofsgemeenschap die zich baseert op een bijzondere „orde“. Ze staan er algemeen om bekend dat ze een zeer sobere levensstijl hanteren. De meeste Amish-gezinnen voorzien in hun levensonderhoud door middel van landbouw. Er wordt veel waarde gehecht aan familie, gemeenschap en afzondering. In de meeste gevallen wijzen ze technische vooruitgang strikt af. Een bijzondere traditie is de textielkunst ‘patchwork’. Om de onvolmaaktheid van de mens weer te geven, wordt in elk van deze individuele werken heel bewust een fout verwerkt.
Religie
Om de twee weken vindt er op de boerderij van een gekozen lid een kerkdienst plaats voor de hele gemeenschap. Tijdens de kerkdienst zitten mannen en vrouwen apart van elkaar. Het is de predikant verboden aantekeningen te gebruiken. De volledige preek wordt uit het hoofd voorgedragen. Daarna wordt er gezamenlijk gegeten. De kinderen van de Amish worden pas na hun 16e gedoopt. Daarbij moeten de kinderen, of inmiddels jongeren, bewust kiezen voor een leven als Amish of vrijwillig een andere weg inslaan. Wie zijn doopbelofte breekt, wordt met de zogenaamde ban bestraft; men wordt uitgesloten van het gemeenschapsleven (bijvoorbeeld: niemand eet meer aan dezelfde tafel met een verstotene). Dit blijft zo totdat de verstotene zich bekeert.
Cijfers
Momenteel zijn er ongeveer 220.000 Amish, die grotendeels in 250 gemeenschappen in 26 staten van de VS en in Ontario, Canada, wonen. Door het hoge geboortecijfer van meer dan zes kinderen per vrouw verdubbelt het aantal aanhangers elke 20-25 jaar. Alleen al in 2004 bedroeg de bevolkingsgroei onder de Amish 4,5 %.
De Amische vrouwen moeten om geloofsredenen een hoofddoek dragen. Bovendien is het hen verboden hun haar te knippen of sieraden te dragen. Hun kleding bestaat uit een rok of een jurk, die de kleur paars, blauw, groen of bruin mag hebben. Nadat ze getrouwd is, mag een Amische vrouw alleen nog maar zwart dragen.
Voor mannen is kort haar verplicht: het moet in de vorm van een „pan“ worden geknipt en er mag geen haar onder de hoed uitkomen. Na de bruiloft dragen ze donkere pakken, een zwarte hoed en laten ze een baard groeien. Het echtpaar trekt dan in een eigen huis. Veel kinderen worden gezien als een zegen van God en kunnen hun arbeidskracht inzetten op de familieboerderij.
De vrouwen bevallen thuis van hun kinderen. Ze gaan alleen naar een modern ziekenhuis als er complicaties zijn.
Zwitserse doperse klederdrachten
Over de kleding van de dopers in Zwitserland valt niet veel te vertellen. De doperse klederdracht, die het kokette, weelderige en modieuze vermijdt om des te meer het eenvoudige en functionele te benadrukken, ontstond niet ten tijde van de oprichting in Zürich in het jaar 1525. De aanhangers van destijds waren afkomstig uit de kringen van de ambachtslieden, de boerenstand, de humanistisch geschoolde patriciërs en burgers, en de radicaal-evangelisch gezinde geestelijkheid. Zij droegen allemaal hun eigen standskleding. Pas toen het doperse geloof door de vervolging was teruggeschroefd tot een overwegend boerenbeweging, kon er een eigenlijke doperse klederdracht ontstaan.
De controverse rond 1693 heeft ongetwijfeld ook een blijvende stempel gedrukt op de nadrukkelijke eenvoud van de doperskleding. Als zelfvoorzieners leefden de dopers deels in gemeenschappelijk bezit van goederen en hielden ze zich ver af van de „beschaving“. Ze vervaardigden hun kledingstoffen ook grotendeels zelf. Zoals bekend verbouwden ze vlas en verwerkten ze de wol van hun schapen tot ‘halflinnen’. Verder moet men bedenken dat de doperse klederdracht geen zondagskleding was, maar een werkdagkledingstuk waarvan de bruikbaarheid zich in het dagelijkse werk moest bewijzen. Zo wordt de eenvoudige boerenkleding uiteindelijk ook een verwijzing naar de lijdensweg die het Zwitserse doperse geloof door de eeuwen heen heeft afgelegd.
Referenties en bronnen
Vakliteratuur
- Blanke, Fritz (2003): "Broeders in Christus". Uitgeverij Schleife
- Veraguth, Paul (2003): "Heile unser Land". Schleife-Verlag
Verhalen & romans
- Zimmermann, Katharina (1995): "Die Furgge". Zytglogge-Verlag. Spannende roman over "Madleni", een jonge, vervolgde doperse vrouw uit de streek rond Schangnau.
- Tavel, Rudolf von (1927): „Der Frondeur”, o.a. Cosmos-Verlag (1979), uitverkocht. Roman in het Berner-Duits, zeer authentiek.
- Schranz, Hans (1974): „Passion im Emmental“. sjw-boekje, niet meer verkrijgbaar
- Laederach, Walter (1938): „Passion in Bern“. Uitgeverij Rentsch, uitverkocht
- Brun, Georg (2003): „Der Augsburger Täufer“. Aufbau-Taschenbuchverlag
Films
- "The Radicals", 1992, 90 min. Een film over de Zuid-Duitse dopers Michael & Margaretha Sattler.
- "Im Leben und über das Leben hinaus", 2005, 150 min. Een kijkje in de hedendaagse dopersgemeenschappen in Sonneberg/Jura en Berne/Indiana.
- "The Headsman", 2005, 108 min. Een niet geheel oncontroversiële film over de dopers in Tirol
Inhoud en afbeeldingen, copyright:Lori Keller, Sara Kündig, themadossier BESJ-kampmedewerkerscursus 2006/07, Bund Evangelischer Schweizer Jungscharen (BESJ)
- Login of registreer om te reageren