God werkt tussen de regels door – Gedachten over het boek Esther

grafodil
Ingediend door grafodil
on
0
No votes

Deze overdenking vormde de afsluiting van een Pinksterkamp met als thema Ester. Daarbij werd het hele thema belicht vanuit het perspectief van hoe God in dit boek tussen de regels door werkt.

Inleiding

We hebben ons het hele weekend beziggehouden met het verhaal van Ester. Het enige boek waarin God יְהוָ֥ה (jullie hebben deze naam in jullie werkboek afgedrukt) nergens bij naam wordt genoemd. Daarom was het boek lange tijd omstreden onder de Joden.

Laten we nu samen nog eens een aantal zaken hierover bekijken. Als we naar de inhoud van het boek kijken, vallen enkele aspecten in het bijzonder op:

Zo begint het boek met een feest. De koning organiseert een groot feest en nodigt al zijn ministers uit. En het verhaal eindigt met een feest. De Joden vieren het Purimfeest omdat ze gered zijn van het grote onheil dat hen dreigde. En dit feest vieren ze vandaag de dag nog steeds. Tussendoor gebeuren er echter veel dingen en als we daar naar kijken, komen we ook God tegen in dit verhaal.

Gods handelen I: Esther wordt koningin en moet voor de Joden opkomen

Koningin Vashti werd immers door de koning afgezet omdat ze niet aan het feest wilde deelnemen, waarna hij het advies van zijn raadgevers opvolgde. En zo kwam het dat de koning op zoek ging naar een nieuwe koningin. Ook Ester behoorde tot de kandidaten. Mordechai wilde bewust dat Ester niets over haar afkomst zou zeggen. Ze werd door veel vrouwen tot koningin uitgeroepen. Maar was het werkelijk alleen haar schoonheid die haar uiteindelijk tot koningin maakte? Mordechai ziet hierachter nog een heel andere reden. De Joden raakten steeds meer in nood. Haman wilde hen allemaal laten doden en daarom laat Mordechai tegen Ester zeggen:

»Denk maar niet dat je in het koninklijk paleis je leven kunt redden als alle andere Joden worden vermoord! Als je op dit moment zwijgt, zal er van elders hulp en redding voor de Joden komen. Maar jij en je familie, jullie hebben dan jullie leven verspeeld en zullen ten onder gaan. Wie weet of je niet juist omwille van deze gelegenheid tot koningin bent verheven?“ (Esther 4:12-14)

Mordechai geeft weliswaar geen antwoord, maar ik denk dat je achteraf kunt zeggen dat hij gelijk had. Zij werd voor deze gelegenheid tot koningin benoemd en ik ga er sterk van uit dat achter haar benoeming tot koningin de grootste van alle koningen staat. Hij die de hemel, de sterren en planeten, de aarde en alles wat daarop is, heeft geschapen.

Gods handelen II: Haman wil de Joden uitroeien en werpt de Pur

Mordechai maakte Haman woedend. Hij wilde niet voor hem buigen, omdat hij een Jood is. Nu was het voor Haman natuurlijk niet genoeg om alleen hem hiervoor te straffen. Hij wilde het hele volk van Israël uitroeien. En hier valt iets bijzonders op. Haman is diep bijgelovig. Hij kan de datum voor deze onderneming niet zelf bepalen. Hij laat het lot (Pur) hierover beslissen. In de Bijbel staat dat hij dit lot wierp in de joodse maand Nisan. Dat is de eerste maand van het jaar bij de Joden. En het lot viel op de 13e Adar – de 12e maand van de joodse kalender.

Ter illustratie volgen hier de 12 Joodse maanden:

  • Nisan
  • Ijjar
  • Sivan
  • Tammuz
  • Av
  • Elul
  • Chiri
  • Cheshvan
  • Kislev
  • Tevet
  • Shevat (of Shvat)
  • Adar

Zie je wat hier gebeurt? Tussen het werpen van de loting en de daadwerkelijke datum zit bijna een heel jaar. En Haman vertrouwt op dit systeem. Hij had natuurlijk gewoon naar de koning kunnen gaan en hem erom kunnen vragen – maar hij vertrouwt nu eenmaal op het principe van zijn sterren.

Maar er wordt nog iets anders duidelijk. Waren het werkelijk de sterren die ervoor zorgden dat deze dobbelstenen zo vielen? Albert Einstein zei ooit: ‘God dobbelt niet.’ Daarmee bedoelde hij dat God niets aan het toeval zou overlaten. Zou Hij er uiteindelijk toch achter kunnen zitten? Heeft Hij ervoor gezorgd dat het volk Israël nog bijna een jaar de tijd heeft om op dit besluit te reageren? Ik geloof dat persoonlijk wel.

Gods werk III: Mordechai redt het leven van de koning en Haman moet hem de grootste eer bewijzen

Er was al enige tijd verstreken sinds Esther koningin was geworden, toen Mordechai een moordcomplot opving. Twee eunuchen (Bigtam en Teresch) wilden de koning om het leven brengen. Mordechai wendde zich onmiddellijk tot Esther en vertelde haar hiervan, waarna zij het onmiddellijk aan de koning meldde. De zaak werd onderzocht, de samenzwering ontmaskerd en de betrokkenen werden aan de galg opgehangen. Vervolgens liet de koning deze gebeurtenis in de koninklijke kroniek opnemen.

Er verstreek weer enige tijd. Wat Mordechai had gedaan, raakte in de vergetelheid en de kroniek verdween weer in de la. Haman had ondertussen al geregeld dat de Joden op een bepaalde datum zouden worden gedood, bracht dit al onder de aandacht van de koning en kreeg zijn zin. Maar toen Mordechai zich opnieuw niet voor hem boog, raakte zijn geduld op en liet hij een galg oprichten waaraan hij Mordechai wilde ophangen. Hij wilde hiermee onmiddellijk naar de koning gaan. Maar deze had die bewuste nacht slecht geslapen of een nare droom gehad. De koning liet zich als het ware een verhaaltje voor het slapengaan voorlezen. Kronieken zijn daar immers bijzonder geschikt voor om in slaap te vallen en zo werd er uit voorgelezen. Maar de passage die aan de koning werd voorgelezen, was precies die over Mordechai. De koning herinnerde zich plotseling weer deze gebeurtenis en vroeg: „Welke beloning, welke onderscheiding heeft Mordechai hiervoor ontvangen?“ Maar het antwoord was: „Geen.“ De koning vroeg verder: »Wie staat daar buiten op de binnenplaats?« Het was Haman, die naar hem toe wilde gaan in verband met Mordechai, om zijn executie te laten goedkeuren. De koning vroeg hem echter, voordat hij iets kon zeggen:

»Wat kan een koning doen voor iemand aan wie hij een bijzondere eer wil bewijzen?«

Haman nam aan dat de koning over hem sprak en zei enigszins zelfvoldaan: »Voor de man aan wie de koning een bijzondere eer wil bewijzen, moet men een kostbaar gewaad brengen dat de koning anders zelf draagt, en een paard met de koninklijke versieringen aan het hoofdstel, waarop de koning anders zelf rijdt.   Men moet het paard en het gewaad aan een van de hoogste hoogwaardigheidsbekleders van de koning overhandigen, opdat deze de man die de koning wil eren, koninklijk kleedt en hem op het paard van de koning over het grote plein van de stad leidt. Daarbij moet hij voor de te eren man uitgaan en uitroepen: ›Zo handelt de koning jegens de man die hij een bijzondere eer wil bewijzen!‹«

Maar de koning bedoelde niet zichzelf. Hij bedoelde natuurlijk Mordechai en droeg Haman op om precies zo met hem te handelen. Haman wilde Mordechai doden, maar in plaats daarvan moest hij hem de grootste eer bewijzen.

Maar wat hield de koning die nacht eigenlijk uit zijn slaap? De Bijbel noemt daar geen reden voor. Maar ik denk dat de vraag anders gesteld moet worden. „Wie“ hield de koning die nacht uit zijn slaap? Ook op deze vraag krijgen we niet meteen een antwoord. Ik denk echter dat we ook hier Gods handelen herkennen. In die beslissende nacht, toen Haman alles voor de executie had voorbereid, kon de koning de slaap niet vatten. Bovendien wordt hem ook nog eens deze passage over Mordechai voorgelezen. Kan dat allemaal toeval zijn? Ik denk van niet. Er is iemand die hier een rol speelt, die niet alleen actief is als we wakker zijn, maar ook onze dromen in de hand heeft: God.

Gods werk IV: Nu volgt het ene na het andere

Nadat Haman Mordechai de grootste eer had moeten bewijzen, haastte hij zich volkomen van streek en met een bedekt gezicht naar huis. Daar vertelde hij zijn vrouw en al zijn vrienden wat er was gebeurd. Zijn wijze raadgevers zeiden tegen hem: »Als Mordechai, met wie je dit hebt meegemaakt, tot het Joodse volk behoort, dan kun je het wel opgeven. Je ondergang is bezegeld.« En plotseling volgt het ene na het andere. Terwijl ze dat nog zeiden, kwamen de dienaren van de koning om Haman op te halen voor het banket bij de koningin.

Opnieuw belooft koning Ahasveros aan Esther dat hij haar alles zou geven, tot de helft van zijn rijk toe. Maar deze keer zegt Esther wat haar zo zwaar op het hart ligt:

»Als ik uw gunst heb gevonden, mijn koning, en u mij een verzoek wilt inwilligen, dan smeek ik om mijn leven en om het leven van mijn volk. Men heeft ons verkocht, mij en mijn volk; men wil ons doden, vermoorden, uitroeien! Als we alleen maar van onze vrijheid beroofd en als slaven verkocht zouden worden, dan zou ik hebben gezwegen en de koning hiermee niet hebben lastiggevallen.”

De koning is ontzet: »Wie durft zoiets te doen? Waar is de man die zulke schandelijke plannen smeedt?« En Ester vertelt het hem: »Onze aartsvijand is deze boosaardige Haman hier!« De koning verlaat vol woede het huis. Haman smeekt Ester om zijn leven. De koning komt terug en denkt nu dat Haman zich ook nog op Ester zou storten. De dienaren van de koning arresteren hem onmiddellijk en een van de koninklijke eunuchen zegt dat er nog steeds de galg staat die Haman voor Mordechai had opgericht. Daaraan werd hij nu zelf opgehangen. Het decreet van de koning om de Joden te doden kon weliswaar niet worden ingetrokken, maar de Joden mochten zich officieel verdedigen. Velen kozen de kant van de Israëlieten en zo behaalden zij een grote overwinning. Eén dag was hiervoor echter niet voldoende, zodat zij ook de volgende dag nog hun vijanden mochten vernietigen. De 13e en 14e Adar werden tot feestdag uitgeroepen en het Purimfeest werd ingesteld ter herdenking van de redding die het volk had mogen ervaren.

Slotgedachten

We hebben gezien dat God nergens in het boek wordt genoemd. De vraag is nu: waarom is dat zo? Ik denk dat daar de volgende reden voor is. Tijdens deze vreemde overheersing van het volk Israël door de Assyriërs leek God zo ver weg dat de auteur bewust de naam van God wegliet. De Joden werden geconfronteerd met zo’n intense haat, niet alleen van Haman, maar ook van anderen onder de bevolking, dat velen zich in die tijd waarschijnlijk afvroegen: „Waar is God eigenlijk?“ Nog een kleine opmerking. Niet alleen God wordt weggelaten. Ook het gebed ontbreekt volledig. Esther liet een vasten afkondigen. Maar vasten gaat in de Bijbel vaak gepaard met bidden. Toch denk ik dat de mensen uit Israël ook hebben gebeden. Ook dit detail is waarschijnlijk bewust weggelaten om te laten zien dat God de geschiedenis stuurt zonder dat wij daar doorslaggevende invloed op hebben, ook al verheugt God Zich over elk gebed en handelt Hij ook.

Al deze dingen ontbreken in het boek Ester, maar God werkt nu eenmaal ook tussen de regels door. Ook in ons leven kunnen er momenten zijn waarop God enorm ver weg lijkt. Hij lijkt ergens te zijn, maar niet daar waar ik mijn noden ervaar, niet daar waar ik mijn zorgen heb – of dat nu op school is, waar we misschien door iemand worden gepest, bij familieproblemen, of in een ruzie met een vriend. Dan lijkt God vaak heel ver weg. En ook wij vragen ons misschien af: „Waar is God nu eigenlijk?“ Maar God kan ook in ons leven tussen de regels door werken.

Helaas had het volk Israël zich van God afgekeerd en God liet hen herhaaldelijk zien welke gevolgen dat zou hebben. Hij zei ook dat het zo ver zou komen dat ze door vreemde volken zouden worden onderworpen. Maar God zegt ook, via de profeet Jeremia:

»Ik, de Heer, breng alles tot stand wat gebeurt; wat ik wil, wordt werkelijkheid. Mijn naam is ›De Heer‹. Wend je tot mij en ik zal je antwoorden! Ik zal je grote dingen laten zien, waarvan je niets weet en ook niets kunt weten. Huizen werden afgebroken, zelfs de paleizen van de koningen van Juda, om de muren te versterken tegen de bestormingsmachines van de Babyloniërs en om hun aanvallen beter te kunnen weerstaan. De andere huizen daarentegen werden gevuld met de lijken van de mensen die ik in mijn brandende toorn had gedood. Want ik had mij van Jeruzalem afgekeerd, omdat de inwoners zoveel kwaad hadden gedaan. Maar nu zeg ik, de Heer, de God van Israël: ›Ik zal de wonden van Jeruzalem verbinden en genezen. Ik zal het weer opbouwen en het echte, blijvende vrede schenken. Ja, ik zal voor Juda en Israël alles weer ten goede keren en hen weer maken tot wat ze eens waren. (Jeremia 32:2-7)

In dit verhaal van Ester hebben de mensen uit Israël ervaren dat God zich aan zijn belofte houdt. Hij heeft bewezen dat Hij de geschiedenis in handen heeft. God heeft ook jouw leven in handen en we mogen weten, zoals Paulus ook aan de gemeente in Rome schrijft:

Eén ding weten we echter: alles draagt bij tot het beste voor hen die God liefhebben; zij zijn immers geroepen in overeenstemming met Zijn plan.

En een paar regels verder schrijft hij:

Wat kunnen we nu nog zeggen, nu we dit alles voor ogen hebben gehouden? God is voor ons; wie kan ons dan nog iets aandoen? Hij heeft immers zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven. Zal ons dan, samen met zijn Zoon, niet ook al het andere geschonken worden? Wie zal het nog durven om een aanklacht in te dienen tegen degenen die God heeft uitverkoren? God zelf verklaart hen immers rechtvaardig. Is er dan nog iemand die hen zou kunnen veroordelen? Jezus Christus is toch ‘voor hen’ gestorven, meer nog: Hij is opgewekt, en Hij ‘zit’ aan Gods rechterhand en pleit voor ons. Wat kan ons dan nog scheiden van Christus en Zijn liefde? Nood? Angst? Vervolging? Honger? Ontberingen? Levensgevaar? Het zwaard van de beul? ‘Met dit alles moeten we rekening houden’, want in de Schrift staat: ‘Omwille van U worden wij voortdurend met de dood bedreigd; men behandelt ons als schapen die bestemd zijn voor de slacht.’ En toch: in dit alles behalen we een overweldigende overwinning door Hem die ons ´zozeer` heeft liefgehad. Ja, ik ben ervan overtuigd dat noch dood noch leven, noch engelen noch ´onzichtbare` machten, noch het heden noch de toekomst, noch ´godvijandige` krachten, noch het hoge noch het diepe, noch wat dan ook in de hele schepping ons ooit zal kunnen scheiden van de liefde van God, die ons geschonken is in Jezus Christus, onze Heer. (Romeinen 8:28, 31-39)

Hoe staat het daar? Men behandelt ons als schapen die bestemd zijn voor de slacht. Dat was ook zo in de tijd van Ester en Mordechai. Maar dan staat er verder: In dit alles behalen we een overweldigende overwinning door Hem die ons zozeer heeft liefgehad. Ook dat heeft het volk Israël destijds ervaren. God heeft hen bijgestaan. Hij heeft hun de overwinning geschonken. Met Jezus staan wij aan de kant van de overwinnaars. Hij blijft ons trouw en werkt daarbij, zoals gezegd, ook tussen de regels van ons leven door, zelfs daar waar we Hem misschien niet kunnen herkennen.

Materiaal

  • Grote blokjes ter uitleg van de Pur (loting)
  • Poster met de 12 joodse maanden

Bronvermelding

  • Titelafbeelding: detail uit de Biblia Hebraica Stuttgartensia (René Graf)