Inleiding
Aangezien het stuk bij de opvoering goed in de smaak viel, mag het niet aan andere jeugdleiders worden onthouden.
Ik geef jullie nu een kijkje in het leven van Harald K. uit P. Harald K. is een heel gewoon mens, voor zover je dat überhaupt van iemand kunt zeggen. Hij woont in P., een stad ergens in ons land.
Sluit nu alstublieft even jullie ogen. (Het licht gaat uit en de ruimte wordt verduisterd. Harald zit op de grond of loopt heen en weer.)
Open nu alsjeblieft jullie ogen. Jullie zien, als er al iets te zien is, het leven van Harald. Hij heeft geprobeerd het beste van zijn leven te maken. Hij wilde altijd alles op een rijtje hebben en een succesvol mens zijn. Maar in de loop der jaren is zijn leven steeds somberder geworden. Er waren de dagelijkse leugens, het bedrog in zijn werk of de kleine, door zijn stemming ingegeven onvriendelijkheden tegenover zijn medemensen. Inmiddels zit Harald K. in het donker. Hij probeert met de duisternis te leven, net zoals bijna alle mensen om hem heen dat doen. Hij is ongelukkig. (Harald pakt een krant). Harald K. plaatst een advertentie in de krant: Help, ik wil niet meer in het donker zitten!
(Er komt iemand binnen)
Op een dag komt er een psychotherapeut langs die tegen Harald zegt: „Je moet je licht van binnenuit vinden. Je kracht ligt in het beheersen van je driften. Kijk in jezelf.”
(Harald gaat op de grond zitten en pakt een deken waarmee hij zich toedekt.) Harald K. kijkt in zichzelf. Maar wat ziet hij daar? Weer alleen maar duisternis. Hij ziet de dingen die het licht uit zijn leven wegnemen: haat, afgunst, ruziezoekendheid.
Hij beseft dat hij een lichtbron nodig heeft, want in zijn eentje komt hij niet uit zijn duisternis. (Harald gooit de deken weg en zoekt naar iets, pakt de krant ter hand. Harald ziet de krant en leest een advertentie: Zelfvertrouwen is de weg naar succes! Met een beetje oefening en doorzettingsvermogen vind je al snel zelfvertrouwen.
(Hij probeert een aansteker aan te steken, eindelijk lukt het.)
Nu heeft hij licht. Hij ziet weer dingen die hij eerder niet zag, en dat alleen al met een beetje zelfvertrouwen. Hij ziet namelijk zichzelf. Maar verder reikt het licht niet. Maar Harald wil toch ook de mensen zien die om hem heen zijn.
(Harald doet de aansteker weer uit. Er komt iemand anders binnen.)
Een humanist komt naar Harald K. toe: Je moet naar de andere mensen kijken. Zoek een ideaalbeeld en word zo. Kijk wat de andere mensen doen. (Harald pakt de zaklamp.) Aha. Nu zien we, eh, ziet Harald al veel meer. Hij ziet de mensen die in zijn omgeving leven. Het zijn rijke mensen die iets van hun leven hebben gemaakt. Harald probeert zichzelf met dit licht te verlichten. Want wat voor de een goed is, kan voor hem toch niet schadelijk zijn.
(Hij richt de zaklamp op zichzelf.)
Maar het is nogal mager. Zou het licht misschien te zwak zijn? Harald kijkt naar het prijskaartje van de zaklamp. Aha. Het licht is te goedkoop. Je wilt geen lampje van vijf euro tachtig bij de ‘verlichte’ top tienduizend. Dus nog een keer hetzelfde, maar dan een prijsklasse hoger.
(Hij haalt een grote zaklamp of een schijnwerper tevoorschijn.)
Met dit felle licht zal het wel lukken. Als ik nu naar de mensen kijk ...
(Hij schijnt met de lamp op het publiek.)
Ja, maar wacht eens even. Waarom draait iedereen zich van me af?
(Schijnt verder in het publiek rond.)
Ze zijn allemaal veel armer dan ik. (Na een pauze.) Ik heb het! (Hij maakt een ‘aha’-gebaar met zijn vinger.) Modern is uit. Terug naar de natuur.
(Hij steekt een kaars aan.)
Geen kernenergie, alleen nog maar de natuur. Dat alleen moet toch voldoende zijn om verlicht te worden, want in de natuur ligt de kracht.
(Plotseling gaat een daglichtprojector aan.)
Op de muur staat: Kennis is macht. De onderzochte wereld werpt licht op de toekomst. Daarom: toekomstgericht onderzoek doen.
Geweldig! Duidelijk. Als ik alles weet, ben ik verlicht. (Harald loopt trots naar de projector, pakt een paar boeken en begint te studeren. Na een langere pauze:) Alle kennis is van mij. Nu laat ik alle mensen het licht van de wetenschap zien.
(Moedig loopt hij naar een andere hoek van de kamer.)
Wacht eens even. Hier is het helemaal niet zo licht als daar achterin. Hoe zit dat nou? Ik weet tenslotte alles. Of niet?
(De projector gaat uit.)
Is er dan niemand die me uit deze duisternis kan leiden? (Luid:) Waar is dat verdomde licht?!
(Een rustige stem:)
Je mag niet vloeken.
Wat? Wie in hemelsnaam ben jij eigenlijk? Ik heet Jezus. Jezus Christus.
Heilige Maria. Jij bent toch die man uit de kerk. Degene die bij God daarboven woont. Wat doe je hier? Jullie in de hemel hebben toch genoeg licht. Waarom ben je hier in deze duisternis? Ik ben hier omdat ik het licht heb dat je zoekt. Ik wil je uit deze duisternis halen.
Luister nu eens naar me. Ik heb keihard gewerkt, gezwoegd en gestudeerd. Maar ik heb nooit het licht gevonden dat mijn leven verlicht en verheldert. Maar ach, wat maakt het uit? Jij moet ook je kans krijgen. Wat moet ik doen om dat licht te krijgen?
Vertrouw me. Want: ik ben het licht van de wereld. Wie mij volgt, heeft het licht dat naar het leven leidt en zal niet meer in het duister tasten. (Joh. 8, 12)
Bedoel je dat ik je gewoon moet vertrouwen, zonder er iets voor te doen? Bedoel je dat je mij het licht wilt schenken? (Pauze) Proberen gaat boven studeren.
(Harald in gebedshouding)
Misschien is dit mijn laatste kans. Jezus Christus. Ik wil op U vertrouwen. Help mij uit de duisternis van mijn leven te komen. Schenk mij het licht dat mij bevrijdt van mijn angst en mijn schuld.
(Bij deze tekst kan de passage uit Efeziërs 5, 1-20 worden voorgelezen)
Opmerkingen
De inleiding wordt voorgelezen door een verteller, die tevens de stem van Harald is. De speler die Harald vertolkt, hoeft het voorgelezen dus alleen maar pantomimisch uit te beelden. De stem van de psychotherapeut of de humanist kan worden vertolkt door de verteller of door twee andere spelers. Hetzelfde geldt voor de stem van Jezus.
- Login of registreer om te reageren